Terug

Remco Campert en Benjamin Herman, een soort verbondenheid

Vrij Nederland, 16-02-2008
Door Rudie Kagie

Jazz-saxofonist Benjamin Herman (40) inspireerde een cd op het werk van dichter Remco Campert (80). Een gesprek tussen de mannen over wederzijdse beďnvloeding: ‘Je hebt me een intens geluk bezorgd.’

Hij vindt het ‘prettig’ als men hem ‘ergens’ voor vraagt, al begint dat gereis langs zaaltjes in de provincie onderhand knap vermoeiend te worden. Volgend jaar wordt hij tachtig. Dan mag hij zichzelf vijftien jaar pensioengerechtigd noemen, maar daar staat tegenover dat juist zijn gevorderde ouderdom prikkelt om bij voorkeur élke uitnodiging te accepteren. Immers: alles doet het nog, en wie garandeert dat dit zo blijft? Best mogelijk dat de twintig voorstellingen van het dichters- en schrijverscircus Saint Amour, waar Remco Campert de komende weken aan meewerkt, achteraf een afscheidstournee geweest blijkt te zijn.

Tot de kleine verrassingen die zijn inbegrepen bij het oogsten van wat ruim een halve eeuw creativiteit naliet, hoort de verschijning van een jazz-cd met de titel Campert. ‘Mijn naam op zo’n cd-doosje te zien staan bezorgt me een enorme thrill,’ zegt Remco Campert. ‘Ik dacht: eindelijk heb ik het gemaakt.’

Het album werd vervaardigd door een kwintet onder leiding van saxofonist Benjamin Her­man, die de helft van het aantal levensjaren telt dat de dichter rijk is. Het voorstel om sonore declamaties instrumentaal te begeleiden, sprak Her­man niet aan. Veel liever vertolkte hij muzikale interpretaties van de poëzie. De dichter leverde een overzichtelijke bijdrage. Op twee tracks is te horen hoe Campert vanachter het toetsenbord van zijn schrijfmachine meeratelt met de muziek. Zijn stemgeluid vult de 2 minuten en 46 seconden van een bonus track.



Benjamin Herman bekent dat hij de nodige schroom moest overwinnen eer hij zijn project durfde te vernoemen naar de laatste nog levende icoon van de generatie dichters die als de Vijf­ti­gers geschiedenis maakte. ‘Ik wilde dat de muziek op zichzelf zou kunnen staan,’ zegt hij tegen Campert. ‘Mijn angst was dat me verweten zou worden dat ik over jouw rug cd’s probeer te verkopen, maar voor zover ik weet, is die gedachte bij niemand opgekomen.’
Een wegwuivend handgebaar van de naast hem gezeten bejaarde literator stelt hem gerust. ‘Niks ervan, je hebt me een intens geluk bezorgd. Ik ben blij dat ik je geďnspireerd heb om een fantastische plaat, eh… ik bedoel cd te maken. O, wat haat ik dat woord.’

De dichter en de musicus zitten op een regenachtige namiddag tegenover elkaar in een kamer die eigenlijk te groot is voor een gesprek over zo’n intiem onderwerp als jazz en poëzie. Gewoonlijk houden aan deze tafel medewerkers van uitgeverij de Bezige Bij hun vergaderingen. Cam­pert woont praktisch om de hoek, vandaar dat hij voorstelde om op dit adres af te spreken. Hoewel hij en Her­man onderhand oude bekenden van elkaar zijn, wisselden ze niet eerder van gedachten over de manier waarop de door hen beoefende genres elkaar wederzijds beďnvloeden. Boeiend thema om over te praten, zeker aangezien ze daar beiden nogal uitgesproken ideeën over hebben.

Campert schuift intussen een cd met improvisaties van trompettist Dizzy Gillespie in de gettoblaster op tafel. Luister goed, hier gaat het om! Let vooral goed op nummer achttien dat stampend uit de luidsprekers knalt: Things to Come uit 1949, een thema waar naoorlogs talent in Ne­der­land zich graag mee vereenzelvigde. Er was van alles op komst, er hing verandering in de lucht. De overwinningsroes werd treffend getypeerd in het gedicht ‘Niet te geloven’, in 1964 nog gecensureerd bij de AVRO-televisie vanwege een strofe waarin Remco Cam­pert de nationale euforie onbetamelijk zou hebben samengevat: ‘Alles zoop en naaide, / heel Europa was één groot matras / en de hemel het plafond / van een derderangshotel.’ De extase die de verdoemde dichter in de jazz meende te beluisteren, liep synchroon met de stormwinden in zijn eigen hoofd. Hij draaide al bebop toen dat genre nog rebop werd genoemd – en dat in een tijd waarin de geestverwanten Luce­bert en Bert Schierbeek bij de Drei­gro­schen­oper of modern klassiek een pijpje stopten. Luce­bert zou een hartstochtelijk jazzliefhebber worden, maar dat kwam zeker tien jaar later.


benjaminherman.jpgRemco Campert


Stoute schoenen
Benjamin Herman waardeerde Remco Cam­pert overwegend als columnist en auteur van luchtig proza, totdat het verzoek om muziek te maken bij een documentaire over de man hem aanspoorde om ook de poëzie te gaan lezen. Dat werd een openbaring, mag hij wel zeggen, want een indrukwekkend aantal gedichten bleek jazz als onderwerp te hebben. ‘De wereld swingt als de pest / de rest / is gemompel voor bedelaars,’ luidde een aan Simon Vinkenoog opgedragen ode waarvan de titel Voor Blowers in de jaren zestig minder dubbelzinnig overkwam dan tegenwoordig.

Benjamin Herman ondergaat bij het lezen van de poëzie van Remco Campert vaak een sensatie die in de buurt komt van de opwinding die intrigerende muziek kan oproepen. Niet dat hij wil vleien, zegt hij, maar toch: ‘Jouw gedichten worden sterker naarmate je ze vaker leest. Bij het gedicht “Lamento” moest ik denken aan wat er met me gebeurde toen ik op mijn dertiende de elpee Now’s the Time van Charlie Parker had gekocht. Ik begreep de muziek niet direct, ik vond het ook niet mooi, maar toch hád het iets waardoor ik nóg een keer en nóg een keer ging luisteren. Langzaam begon ik in de muziek dingen te horen die me aanvankelijk waren ontgaan.

Datzelfde heb ik met een goed gedicht. Als ik de tekst voor het eerst lees, krijg ik daar een bepaald gevoel bij dat zich moeilijk laat duiden. Iets zegt je dat dit kwaliteit heeft, ook al snap je nog niet helemaal wat er staat. Naarmate je het gedicht vaker leest, komt de samenhang naar voren. De eerste indruk is onoverkomelijk. Als iets niet goed is, dan voel je geen behoefte om je te verdiepen in de inhoud. Muziek die me aanspreekt, maakt nieuwsgierig. Dat heb ik met jouw gedichten ook.’

Het volgens muzikale principes gestructureerde ‘Lamento’ werd ooit geschreven op verzoek van Poetry International dat een aantal dichters had gevraagd om in samenspraak met zelf te kiezen musici tot een collectieve prestatie te komen. ‘“Lamento” is uit muziek geboren,’ zegt Remco Campert. ‘Ik had een paar jazzmusici gevraagd om mee te doen: de bassist Maarten Altena, de rietblazer Michael Moore, de drummer Han Bennink. Bij het schrijven had ik rekening gehouden met de geďmproviseerde muziek die om de tekst heen zou komen te zitten. Ik vond het zó fantastisch met die jongens achter me dat ik lang heb gedacht dat ik dat gedicht niet zonder musici zou kunnen voorlezen. Totdat ik de stoute schoenen aantrok en ontdekte dat ik “Lamento” net zo goed zonder muziek kon voorlezen. Dat bleek nogal succesvol uit te pakken.’

Loftrompet
Warme herinneringen bewaart de dichter aan de tijd waarin hij met de onvoorspelbare klavierimprovisator Misja Mengelberg de podia bereisde. Tijdens optredens wisselden pianospel en voordracht elkaar af. Om en om, nooit simultaan. Want als Remco Campert ergens een hekel aan heeft, dan is het wel aan het lastige genre jazz & poetry, dat naar zijn mening in Amerika dankzij Allen Ginsberg en ten onzent ondanks Simon Vinkenoog tot enigszins pruimbaar resultaat leidde.

‘Persoonlijk zag ik er niets in,’ zegt hij afwerend. ‘Ik vond het aanmatigend van de dichters om door die prachtige muziek heen te brullen. Ze dwongen de jazzmusici om zich aan te passen bij de woorden van de grote dichter.’

Herman moet lachen. Hij denkt aan hoe hij vijftien jaar geleden na lang aarzelen Cam­pert opbelde (die toen nog in de telefoongids stond) met het verzoek om in de Rotter­dam­se Doe­len het eerste exemplaar van zijn debuut-cd in ontvangst te nemen. Het antwoord was bevestigend, gevolgd door een oprecht ‘nee’ na de suggestie dat de band en hij eendrachtig een prestatie zouden kunnen neerzetten. Liever stak hij zonder muzikale begeleiding de loftrompet over de zingende trompettist Chet Ba­ker: ‘Zijn stem is een zachte regen / als de voeten van het vreemde meisje / op het mollige tapijt.’

Remco Campert herinnert zich die avond in de Doelen als de dag van gisteren. ‘Sindsdien ben ik een aanhanger van jou en je muziek,’ zegt hij. ‘We kennen elkaar nog steeds niet intens, maar in ieder geval beter dan toen. Wat bracht je ertoe om mij te vragen?’

‘Ik wist dat je van jazz hield en dat je daar dingen over had geschreven,’ antwoordt Benja­min Herman. ‘Jou vragen voor die presentatie was voor ons een manier om de link tussen verschillende generaties te leggen. Dat is iets dat ik überhaupt interessant vind. De mogelijkheid dat schrijvers, dichters, schilders, musici, dansers en noem maar op, dat die elkaar begrijpen. Als jazzmusicus heb je niet de acceptatie van een gigantisch publiek nodig, maar het is al heel wat als mensen uit je omgeving snappen waar je mee bezig bent. In mijn geval zijn dat andere jazzmuzikanten. Popmuzikanten hebben geen benul van wat ik doe, de jongens van de grote platenmaatschappijen evenmin. Wat dat betreft, heb ik een eenzaam beroep. Ik heb er misschien een te romantisch idee bij, maar volgens mij zaten in de jaren vijftig in artiestensociëteit De Kring kunstenaars uit alle mogelijke disciplines elkaar op te jutten om dingen te maken en vooruit te gaan. Dat gevoel is weg. In de jazzwereld lijkt het soms alsof iedereen alleen met zichzelf bezig is. Dat vind ik jammer.’

‘Vergis je niet,’ zegt Campert. ‘Jazz­muziek genoot in de jaren vijftig weinig aanzien. Voor een klein groepje lag dat anders, maar in zijn algemeenheid was jazz niet iets waar je mee voor de dag kon komen. Ik voelde een soort verbondenheid, het idee dat je tegen de klippen op werkt aan iets dat niet iedereen apprecieert. Waar ik jazzmusici vooral om benijdde, was dat ze samen iets maakten. Als dichter trad je in die tijd nooit collectief naar buiten, je stond nooit eens met zijn vijven op het podium. Daarom liep ik als een soort groupie achter de jazz aan. Ik meende er te vinden wat ik zocht. Ik ging mee als Pim en Ruud Jacobs en Wim Overgauw op tournee gingen.’
‘Onwijs leuk gezelschap om mee op stap te gaan,’ vindt Herman.

‘Het was een goeie tijd,’ beaamt Campert. ‘De laatste jaren volg ik het minder omdat schrijven de overhand heeft genomen. Klas­sie­ke muziek op de achtergrond kan ik verdragen als ik schrijf, maar een jazzplaat maakt heel andere dingen in mij wakker. Dan wil ik de deur uit. Ik draai nog veel jazz, maar niet als ik moet werken.’

Improvisator
‘Ik vond het onwijs leuk om met Jules Deelder op tournee te gaan,’ zegt Benjamin Herman. ‘Hij is jonger dan jij, maar hij straalt datzelfde elan uit: een schrijver en dichter die snapt waar het bij de jazz om draait. We staan als kinderen te springen als we elkaar weer zien.’

‘Kan ik me voorstellen,’ zegt Remco Cam­pert. ‘Jules komt meer uit de jazz voort dan ik. Hij enthousiasmeert door zijn aanwezigheid. Maar wat Jules heeft, heb ik niet in huis. Ik kan niet improviseren bijvoorbeeld. Nu kan Jules dat ook niet, maar toch.’

‘Nee, Jules is niet echt een improvisator,’ erkent Herman. ‘Maar voor ons, jazzmusici, is het onwijs belangrijk dat een schrijver als Jules de beleving die hij bij jazzmuziek heeft, documenteert. Het gaat bij hem niet alleen om zijn persoonlijkheid, maar ook wat en hoe hij schrijft. Zijn verhalen gaan over de wereld van de jazz, wat toevallig míjn wereld is. Dat is voor een muzikant het inspirerende aan zijn proza.’

‘Ik ben van tekst afhankelijk, maar zo’n Jules Deelder, ongelooflijk, die doet alles uit zijn hoofd,’ zegt Campert.

Er komt voorzichtige tegenspraak: ‘Jules heeft er de laatste tijd wel tekst bij nodig, hoor. Hij deed alles altijd uit zijn hoofd, maar dat brengt hij niet meer op.’

Nostalgisch
Wat veel mensen met muziek hebben, dat ze bij het horen van een bepaald nummer onbewust afdalen in de tijd, dat heeft Remco Campert helemaal nooit. Nostalgische muziek stemt hem zelden nostalgisch. ‘Ik volg wat ik hoor, daar heb ik geen beelden bij,’ zegt hij. ‘Het ligt er ook een beetje aan hoe het in mijn handen komt. Een jaar geleden was ik in Toronto. Onwillekeurig moet ik dan toch denken aan The Concert of the Year, een fantastische plaat die in 1953 in de Massey Hall in Toronto werd opgenomen. Charlie Parker, Dizzy Gillespie, Bud Powell, Charlie Mingus, Max Roach – alle grote jongens uit die tijd speelden mee. Dan probeer ik me voor te stellen hoe dat was, zo’n gelegenheidsband die kennelijk heel happy met elkaar op een ongelooflijke manier aan het musiceren was.’

‘Grappig,’ zegt Herman. ‘Twee jaar geleden was ik in Toronto. Stomtoevallig kwam ik langs de Mas­sey Hall. Ik heb er nog een paar foto’s van gemaakt. Terug in Am­ster­dam pakte ik een boek van Jules Deel­der van de plank. En wat las ik? Een verhaal over dat Jules in Toronto is, langs Massey Hall komt en moet terugdenken aan dat beroemde concert en de plaat die daarvan werd gemaakt. Geweldig vind ik dat. Schrij­vers en dichters met wie ik me verwant voel, hebben iets dat ik bij de meeste andere mensen mis. Bij hen gaat echt geen belletje rinkelen als ik over Toronto, Massey Hall of Dizzy Gil­les­pie begin. Ze hebben niks met jazz.’